CLAUS

CLAUS 6 oktober 2002 (phone in landscape view)

In de 60er jaren kwam jij op ons toen nog roerig pad.
Net zoals het een rups betaamt, rust in zijn beweging.
Met van die vele voetjes die alle richtingen wilden kennen.
Die in zijn gaan, niet wetend van beperking,
de wereld het liefst zag als boom en struik met enkel sappig blad.

Dan het onontkoombare moment, het leven ging zich uiten,
door een fase van afleggen, bijna sterven, en een nieuw bestaan.
In een stil verlangen naar de vrijheid die nog zou komen.
In de schoonheid die zich door jouw vleugels zou verstaan.
In de “nektar” voor het rijke, rijke land, door overzeese duiten.

Maar dan blijkt tot jouw zeer intens verdriet
dat jij nimmer los kwam uit de fase van de “pop”.
Jouw vleugels niet tot zweven kwamen op de wind.
Daardoor jouw kleurenpracht door ons niet werd gekend.
Jouw natuur te gaan van bloem tot bloem; ja, dat mocht jij kennelijk niet.

Eenmalig slechts, zagen wij jouw prachtig paars,
naar jouw Delftse praal toe gaan.
Langs een cordon, net als jouw vleugels, strak in het gelid.
In een bloemenzee die jij niet meer kon beroeren.
Opnieuw kwam jij tot sterven, tot afleggen; een nieuw bestaan.
Op Eng’len vleugelen kan jij nu vliegen,
de Tirannie kan jij alsnog verslaan.

Leonard Zonneveld